Wijzigingen in de belastingheffing met ingang van 1 januari 2002Persbericht Nr 01/335 Den Haag 13 december 2001
1.1
Tarieven
1.1.1
Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning) 1.1.2
Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk
belang) 1.1.3
Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en
beleggen) 1.2.1
Bedragen heffingskortingen 1.2.2
Algemene heffingskorting 1.2.3
Arbeidskorting
1.2.4
Kinderkorting
1.2.5
Aanvullende kinderkorting
1.2.6
Combinatiekorting
1.2.7
Alleenstaande-ouderkorting 1.2.8
Aanvullende
alleenstaande-ouderkorting 1.2.9
Jonggehandicaptenkorting
1.2.10
Ouderenkorting 1.2.11
Aanvullende ouderenkorting
1.2.12
Toetrederskorting 1.2.13
Korting voor maatschappelijke
beleggingen 1.2.14
Korting voor beleggingen in
durfkapitaal 1.3
Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting 1.4
Teruggaafgrens loonbelasting en premie
volksverzekeringen (T-biljet) 1.5
Werknemersaftrek 1.5.1
Fietsaftrek 1.5.2
Reisaftrek 1.5.3
Zeedagenaftrek 1.7
Bijtelling privι-gebruik auto van de zaak
1.8
Kinderopvang 1.9.1
Drempels buitengewone uitgaven
1.9.2
Kleding en beddengoed
1.9.3
Reiskosten ziekenbezoek 1.9.4
Uitgaven wegens
arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte 1.9.5
Uitgaven wegens ouderdom 1.9.6
Uitgaven wegens chronische ziekte van
kinderen 1.9.7
Uitgaven wegens ziekte; dieetkostenregeling
1.10
Aftrek levensonderhoud voor kinderen
1.11
Weekenduitgaven gehandicapte kinderen
1.12
Scholingsuitgaven 1.13
Kapitaalverzekering eigen woning
1.14
Kapitaaluitkering uit levensverzekering;
overgangsrecht 1.15
Uitgaven voor inkomensvoorzieningen: lijfrente en
andere premies 1.17
Giftenaftrek
1.18
Investeringsaftrek
1.18.1
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
1.18.2
Energie-investeringsaftrek
1.18.3
Milieu-investeringsaftrek
1.18.4
Desinvesteringsbijtelling
1.19
Scholingsaftrek 1.20
Ondernemersaftrek
1.20.1
Zelfstandigenaftrek 1.20.2
Aftrek speur- en ontwikkelingswerk
1.20.3
Meewerkaftrek 1.20.4
Stakingsaftrek 1.21
Oudedagsreserve 1.22
Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende
ondernemers 1.23
Box 3 1.23.1
Heffingvrij vermogen
1.23.2
Kindertoeslag
1.23.3
Ouderentoeslag
1.23.4
Vrijstelling maatschappelijk
beleggingen
1.23.5
Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
1.23.6
Schulden 2.1
Vergoedingen
2.2
Meerijregeling
2.4
Computers en bijbehorende apparatuur
2.5
Vrijwilligers
3
Rechten van successie, van schenking en
overgang 2002
3.1
Vrijstellingen successierecht
3.2
Vrijstellingen schenkingsrecht
3.2.1
Bedrijfsopvolging
3.3
Tarief successie en schenking
4
Afdrachtvermindering loonbelasting 2002
4.1
Afdrachtvermindering lage lonen 4.2
Afdrachtvermindering
langdurig werklozen
4.3
Afdrachtvermindering onderwijs
4.4
Afdrachtvermindering
scholing non-profit
4.5
Afdrachtvermindering kinderopvang
4.6
Afdrachtvermindering betaald
ouderschapsverlof
4.7
Afdrachtvermindering arbo
non-profit
4.8
Afdrachtvermindering speur- en
ontwikkelingswerk
5.
Belastingen op milieugrondslag
5.5
Regulerende energiebelasting
6.1
Stimulering zuinige personenautos
6.2
Stimulering schone personenautos en bestelautos
6.3
Verlaging motorrijtuigenbelasting
6.4
Aanpassing inrichtingseisen
bestelauto's
6.5
Eurovignet
6.5
Aanpassing accijnzen op motorbrandstoffen
6.6
Teruggaafregeling paarse
dieselolie
7
Overige
7.1
Omzetbelasting;
diverse tariefmaatregelen
7.2
Bestrijding
BTW-carrouselfraude
7.4
Accijnzen en verbruiksbelasting op
frisdranken
Op
dinsdag 11 december 2001 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het afsluitende
pakket aan voorgestelde wijzigingen in de belastingwetgeving voor het komende
jaar. In dit persbericht geeft het ministerie van Financiλn een overzicht van
de belangrijkste cijfermatige wijzigingen in de rijksbelastingen per 1
januari 2002. De
inflatiecorrectie voor 2002 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in
aanmerking komende bedragen met 3,1%. In de tekst zijn tussen haakjes de
bedragen vermeld zoals die gelden voor 2001. 1
Inkomstenbelasting 2002
1.1 Tarieven 1.1.1 Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning) 2002
voor personen jonger dan 65 jaar:
2001
voor personen jonger dan 65 jaar:
2002
voor personen van 65 jaar en ouder:
2001
voor personen van 65 jaar en ouder:
Premiepercentages
volksverzekeringen: AOW
17,90% ANW
1,25% AWBZ
10,25% Totaal
29,40%
1.1.2 Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang)De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang bedraagt 25%. 1.1.3 Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen)De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt 30%. 1.2 Heffingskortingen
1.2.1 Bedragen heffingskortingen
*) van de vrijstelling in box 3
1.2.2 Algemene heffingskortingIedere
belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners
hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Zij kunnen deze
korting niet overdragen aan hun partner. Als ιιn van de partners geen of
weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal)
gebruikt, kan hij onder bepaalde voorwaarden (een deel van) het bedrag
rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt
hier in: het totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan
ongeveer 5.100 en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor uitkering is
dat de partner van belastingplichtige voldoende inkomen heeft en voldoende
belasting betaalt.
1.2.3 ArbeidskortingEen
belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij ιιn van de volgende
soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit onderneming of resultaat
uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om inkomsten uit tegenwoordige
arbeid. De hoogte
van de arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de
hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (de
arbeidskortingsgrondslag). Nieuw is dat voor ouderen vanaf 57 jaar een hogere
arbeidskorting geldt. Deze wijziging gaat in per 1 april 2002. 1.2.4 KinderkortingEen
belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de onderstaande
voorwaarden wordt voldaan: ·
er behoort in 2002
meer dan zes maanden een kind tot het huishouden van de belastingplichtige en
dit kind is op 1 januari 2002 jonger dan 16 jaar. De leeftijdsgrens van het
kind wordt met ingang van 1 juli 2002 verhoogd van 16 naar 18 jaar; en ·
dit kind is tijdens
die periode op het woonadres van belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven
en wordt door ιιn van beide in belangrijke mate onderhouden; en ·
het gezamenlijke
verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner is niet hoger dan
56.191 ( 54.501). 1.2.5 Aanvullende kinderkortingEen
belastingplichtige heeft per 1 januari 2002 recht op de aanvullende
kinderkorting van 341 ( 192) als voor hem de kinderkorting geldt en het
gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner in
2002 niet hoger is dan 28.096 ( 27.251). Per 1 juli
2002 wordt bij een gezamenlijk verzamelinkomen dat niet hoger is dan 25.704
de aanvullende kinderkorting verhoogd tot 428. Daarnaast wordt deze
aanvullende kinderkorting nog extra verhoogd met 30 als er in het
huishouden drie of meer kinderen zijn.
1.2.6 CombinatiekortingEen
belastingplichtige heeft recht op de combinatiekorting als: ·
hij inkomen uit
tegenwoordige arbeid heeft waarvoor meer dan 4.060 ( 3.938) wordt
ontvangen, of de belastingplichtige komt in aanmerking voor de
zelfstandigenaftrek voor ondernemers; ·
en er behoort in
2002 gedurende ten minste 6 maanden een kind tot zijn huishouding dat op 1 januari 2002 jonger is dan 12 jaar; ·
en tijdens die
periode op hetzelfde woonadres is ingeschreven als de belastingplichtige. Als
beide ouders aan de voorwaarden voldoen, hebben ze allebei recht op deze
korting. 1.2.7 Alleenstaande-ouderkortingEen
belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in
2002 meer dan zes maanden: ·
geen partner heeft;
en ·
een huishouding
voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde
woonadres ingeschreven moet staan; en ·
deze huishouding
voert met geen ander dan kinderen die op 1 januari 2002 de leeftijd van 27
jaar niet hebben bereikt. 1.2.8 Aanvullende alleenstaande-ouderkortingEen
belastingplichtige heeft recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting
als hij: ·
recht heeft op de
alleenstaande-ouderkorting; en ·
tegenwoordige
arbeid verricht; en ·
tot zijn huishouden
behoort, gedurende een periode van meer dan zes maanden, een kind dat op 1 januari 2002 de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres is ingeschreven. De hoogte van de aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van de inkomsten uit werkzaamheden buiten de huishouding, maar maximaal 1.301 ( 1.261).
1.2.9 JonggehandicaptenkortingDe jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.
1.2.10 OuderenkortingEen belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2002 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan 28.563 ( 27.704).
1.2.11 Aanvullende ouderenkortingEen belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als hij: · recht heeft op de ouderenkorting; en · recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.
1.2.12 ToetrederskortingAls men
een uitkering (zoals bijstand of WAO, WAZ en Wajong) heeft of gesubsidieerd
werk verricht en men niet-gesubsidieerd werk gaat verrichten, heeft men vanaf
2002 recht op een toetrederskorting van 2.269, verdeeld over drie jaren (
1.361 in het eerste jaar en 454 in het tweede en derde jaar). Men moet dan
drie jaar achtereen voldoen aan de volgende voorwaarden: ·
men werkt minimaal
een half jaar aaneengesloten tegen het wettelijk minimumloon (of een hoger
loon); ·
voordat men ging
werken had men minimaal 12 van de laatste 18 maanden een bijstandsuitkering,
een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid of gesubsidieerd werk; ·
de uitkering is
gestopt vanaf het moment dat men is gaan werken. Bij de WAO, WAZ en Wajong
geldt de eis dat de uitkering moet zijn gestopt niet. De
toetrederskorting kan men ontvangen via de voorlopige teruggaaf. Dit kan
vanaf april 2002. Vanaf maart zullen hiervoor formulieren beschikbaar zijn.
1.2.13 Korting voor maatschappelijke beleggingenDeze
korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke
beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen) en bedraagt
1,3% van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is vrijgesteld op grond van de
bepalingen in box 3. 1.2.14 Korting voor beleggingen in durfkapitaalDeze
korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in durfkapitaal (direct
en indirect) en bedraagt 1,3% van het bedrag dat daarvoor gemiddeld is
vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.
1.3 Aanslaggrens voor de inkomstenbelastingVoor de
aanslaggrens voor de inkomstenbelasting geldt in 2002 het volgende criterium: indien
het verschil tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de
gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met
het oog op de heffingskortingen zijn vastgesteld (voorheffingssaldo) meer bedraagt
dan 203 ( 196) volgt een aanslag. 1.4 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet)De
grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van teveel ingehouden loonbelasting
en premie volksverzekering over het belastingjaar 2002 is 12. Naast
de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de voorlopige
teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld
(gezamenlijk genoemd: voorheffingssaldo). Als dit voorheffingssaldo de
verschuldigde belasting niet of met niet meer dan 12 overtreft, dan volgt
geen aanslag. 1.5 Werknemersaftrek 1.5.1 FietsaftrekVoor
het regelmatig woon-werkverkeer per fiets met een enkele reisafstand van meer
dan 10 kilometer kan de fietsaftrek gelden. Als voorwaarde hiervoor geldt dat
de belastingplichtige op ten minste drie dagen per week naar en van zijn werk
reist en in meer dan 70% van het aantal reizen met de fiets gaat. Verder
geldt als voorwaarde dat de per fiets afgelegde enkele reisafstand meer dan
10 kilometer bedraagt en dat men beschikt over een fietsverklaring van de
werkgever. De fietsaftrek bedraagt 362 (
351). Als de belastingplichtige slechts een deel van het jaar fietst, moet de
fietsaftrek tijdsgelang worden toegepast. 1.5.2 ReisaftrekVoor
het regelmatig woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek
van toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden: ·
de
belastingplichtige moet beschikken over een openbaar-vervoerverklaring (of een
reisverklaring); en ·
de per openbaar
vervoer afgelegde enkele reisafstand moet meer dan 10 kilometer bedragen; en ·
de
belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans minimaal ιιn keer per week of
minimaal 40 dagen in 2002) tussen zijn woning en zijn werkplek heen en weer
reizen per openbaar vervoer. Reiskosten
openbaar vervoer:
Voor de
belastingplichtige die op drie, twee of ιιn dag per week naar dezelfde plaats
van werkzaamheden reist per openbaar vervoer bedraagt het aftrekbedrag indien
de reisafstand niet meer bedraagt dan 90 kilometer: driekwart, de helft
respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag. Als de
enkele reisafstand groter is dan 90 kilometer: 0,19 ( 0,18) per kilometer
vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar maximaal
1.711 ( 1.659). 1.5.3 ZeedagenaftrekVoor de
kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel van een zeeschip in de zin van de
Zeebrievenwet die in verband met zijn werkzaamheden doorgaans ten minste 180
dagen per jaar aan boord van een dergelijk zeeschip of in een buitenlandse
haven of havenplaats verblijft, bedraagt de zeedagenaftrek 4 per zeedag.
Daarbij tellen niet mee: ·
reizen met een
reisduur van 14 dagen of minder, tenzij gedurende de reis een buitenlandse
haven is aangedaan die voor de vervoerde zaken of personen het karakter van
haven van bestemming of vertrek heeft, ·
reizen waarbij
vertrek en aankomst in een Nederlandse haven op dezelfde dag liggen, ·
dagen waarbij het
schip in een Nederlandse haven ligt.
1.6 EigenwoningforfaitHet
forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt: 2002:
De
tabel is gelijk aan de tabel voor 2001. Het
berekende eigenwoningforfait kan niet hoger zijn dan 8.000 ( 7.800). 1.7 Bijtelling privι-gebruik auto van de zaakDe
fiscale regeling voor het privι-gebruik van een personen- of bestelauto van
de zaak is aangepast. Als het privι-gebruik meer bedraagt dan 8.000 kilometer
per jaar moet men 25% van de catalogusprijs van de auto bijtellen. Bij een
privι-gebruik van 8.000 kilometer of minder gelden lagere percentages. Dan
moet wel uit een rittenadministratie blijken dat men niet meer dan 8.000
kilometer privι heeft gereden. Deze rittenadministratie moet aan bepaalde
eisen voldoen. Bij minder dan 500 kilometer aan privι-ritten hoeft onder
bepaalde voorwaarden geen administratie te worden bijgehouden.
Er is
een overgangsregeling getroffen waardoor voor 2002 1/3e van de als
privι aan te merken woon-werkkilometers (maximaal 5.500) ook werkelijk tot de
privι-kilometers worden gerekend. Voor 2003 geldt een beperking tot 2/3e
van die kilometers met een maximum van 8.500 kilometer. Met ingang van 2004
geldt dan geen beperking meer. Voor
een bestelauto die door aard of inrichting slechts tot een beperkt voordeel
leidt, geldt een bijtelling van 10%. Wanneer sprake is van een dergelijke
auto zal bij ministeriλle regeling worden vastgesteld. De beperkte
kilometeradministratie (privι-ritten en totaal zakelijke ritten) voor
bestelautos waarmee op jaarbasis tussen 500 en 7.000 privι-kilometers is
gereden, komt hiermee te vervallen. Berekening
bijtelling 2002 bij het aantal privι-kilometers:
Berekening
bijtelling 2001 bij het aantal privι-kilometers:
1.8 KinderopvangAls een
belastingplichtige zelf de kosten voor kinderopvang draagt, en voldoet aan de
volgende voorwaarden kunnen de uitgaven boven de drempel afgetrokken worden: ·
de
belastingplichtige en zijn/haar eventuele partner verrichten beiden (buiten
het huishouden) betaalde arbeid en deze werkzaamheden leveren per persoon
meer dan 3.494 ( 3.937) aan inkomen op. Dit geldt ook voor samenwonenden
die niet kiezen voor behandeling als partners maar die wel voldoen aan de
voorwaarden die voor die keuze gelden, tenzij voor de partner de
meewerkaftrek van toepassing is; en ·
er wordt voldaan
aan bepaalde administratieve voorwaarden; en ·
het betreft alleen
opvang die voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Drempel
voor kosten kinderopvang in 2002:
Als de
beroepsmatige opvang plaatsvindt op 4, 3, 2, of 1 dag per week, bedraagt de
drempel 4/5, 3/5, 2/5, 1/5 van het bedrag in de tabel. Als
belastingplichtige slechts een deel van het jaar kinderopvang heeft gehad,
mag de berekende drempel met een evenredig bedrag verlaagd worden. Onder
buitenschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel voor als na schooltijden
en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt. Onder
naschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel na schooltijd als
tijdens de schoolvakanties plaatsvindt. Drempel
voor kosten kinderopvang in 2001:
Als de
beroepsmatige opvang plaatsvindt op 4, 3, 2, of 1 dag per week, bedraagt de
drempel 4/5, 3/5, 2/5, 1/5 van het bedrag in de tabel. Als
belastingplichtige slechts een deel van het jaar kinderopvang heeft gehad,
mag de berekende drempel met een evenredig bedrag verlaagd worden. Onder
buitenschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel voor als na
schooltijden en tijdens de schoolvakanties plaatsvindt. Onder
naschoolse opvang wordt verstaan: kinderopvang die zowel na schooltijd als
tijdens de schoolvakanties plaatsvindt. Nieuw
in 2002 is dat in bepaalde situaties voor de berekening van de aftrek, de
uitgaven voor kinderopvang en de inkomens van partners en huisgenoten moeten
of mogen worden samengevoegd. 1.9 Buitengewone uitgaven in verband met ziekte, invaliditeit, overlijden, arbeidsongeschiktheid, chronische ziekte, ouderdom en adoptie
1.9.1 Drempels buitengewone uitgavenDe
kosten voor ziekte, invaliditeit en dergelijke komen voor aftrek in
aanmerking voor zover zij meer bedragen dan een bepaalde drempel. Het gaat
dan om kosten van belastingplichtige zelf, zijn fiscale partner en zijn
kinderen jonger dan 27 jaar. Daarnaast is met ingang van 2002 een
aftrekmogelijkheid in het leven geroepen voor de ziektekosten van tot het
huishouden van belastingplichtige behorende ernstig gehandicapte personen van
27 jaar of ouder en van tot zijn huishouding behorende zorgafhankelijke
ouders, broers of zusters. Of er sprake is van ernstig gehandicapt en van
zorgafhankelijk zal bij AMvB worden vastgesteld. De
drempels zijn als volgt voor 2002:
De
drempels zijn als volgt voor 2001:
Als de
belastingplichtige het hele jaar een partner heeft gehad, moeten de
verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner worden
samengevoegd. Voor
situaties waarin meerdere jaren achtereen sprake is van aftrek buitengewone
uitgaven gelden met ingang van 2002 voor de aftrek van buitengewone uitgaven
vermenigvuldigingsfactoren voor inkomens tot het einde van de tweede
tariefschijf. In het tweede achtereenvolgende jaar waarin sprake is van
aftrek wordt deze met een kwart verhoogd. In het derde achtereenvolgende jaar
en verder wordt de aftrek met de helft verhoogd. 1.9.2 Kleding en beddengoedHet
bedrag voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed die als uitgaven ter
zake van ziekte en invaliditeit worden aangemerkt, bedraagt 300 ( 295).
Indien wordt aangetoond dat deze extra uitgaven meer bedragen dan 600 (
590) wordt het bedrag van 300 ( 295) verhoogd tot 750 ( 737). 1.9.3 Reiskosten ziekenbezoekHet
bedrag voor uitgaven ter zake van reizen in verband met het regelmatig
bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde
personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een
gezamenlijke huishouding voerde, is gesteld op 0,17 ( 0,16). Voorwaarde is
dat de enkele reisafstand meer is dan 10 kilometer. 1.9.4 Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekteDeze
uitgaven worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige die
hiervoor in aanmerking komt, bij het begin van het kalender jaar jonger is
dan 65 jaar. Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op 730 (
708). 1.9.5 Uitgaven wegens ouderdomUitgaven
ter zake van ouderdom worden in aanmerking genomen indien de
belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is.
Het in aanmerking te nemen bedrag is gesteld 730 (
708). 1.9.6 Uitgaven wegens chronische ziekte van kinderenOuders/verzorgers
van chronisch zieke kinderen kunnen in aanmerking komen voor een vaste extra
aftrek van 730 ( 708). Voorwaarde is dat 1/3 van de buitengewone uitgaven,
die in de afgelopen twee jaar als zodanig zijn opgevoerd, betrekking heeft op
een of meer chronisch zieke kinderen, die bij het begin van het kalenderjaar
jonger zijn dan 27 jaar. Als belastingplichtige een deel van het jaar een
fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar
fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag
gesteld op de helft als beiden uitgaven wegens chronische ziekte van een kind
in aanmerking nemen. 1.9.7 Uitgaven wegens ziekte; dieetkostenregelingDe drempel
voor aftrek van dieetkosten is met terugwerkende kracht naar 2001 verlaagd
van 340 naar 113. Hierdoor wordt bij meer diλten aftrek mogelijk. 1.10 Aftrek levensonderhoud voor kinderenUitgaven
voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar zijn
aftrekbaar als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de
AKW en het kind geen recht heeft op studiefinanciering of een met AKW of
studiefinanciering vergelijkbare regeling. Als de kosten in belangrijke mate
drukken op de belastingplichtige, komen deze voor aftrek in aanmerking tot
een bedrag van: a.
260 per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar; b.
315 per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12
jaar is; c.
399 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18
jaar is; d. 315
per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is. De
kosten van het onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de
belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige drukkende
bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste 373 ( 359)
per kwartaal beloopt. Het
bedrag vermeld onder d. wordt verhoogd tot 630 indien de kosten van het
levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de belastingplichtige
drukken en de kosten van de belastingplichtige voor het kind tenminste 630
bedroegen. Indien
het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, wordt het
bedrag onder d. vermeld verhoogd tot 945 indien deze kosten geheel (100%)
of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige drukken en de
kosten van belastingplichtige voor het kind tenminste 945 bedroegen. Als
belastingplichtige het gehele jaar een fiscale partner heeft of een deel van
het jaar een partner heeft maar wel kiest voor het gehele jaar fiscaal partnerschap
en beiden doen uitgaven voor levensonderhoud voor een kind jonger dan 30 jaar
worden deze uitgaven samengevoegd. Als belastingplichtige een deel van het
jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele
jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk
bedrag gesteld op de helft als beiden uitgaven voor levensonderhoud van een
kind in aanmerking nemen. Er
bestaat geen aanspraak op aftrek uitgaven levensonderhoud als het recht op
kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen
die op 1 januari 2000 in werking is getreden. 1.11 Weekenduitgaven gehandicapte kinderenVoor de
extra uitgaven voor de verzorging thuis van doorgaans in een inrichting
verblijvende ernstig gehandicapte kinderen van 30 jaar en ouder geldt de
volgende aftrek: 8 per
dag van verzorging van het kind door de belastingplichtige; 0,17
( 0,16) per kilometer voor het vervoer van het kind per auto door de
belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar het kind
doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans
verblijft. Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner
heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap
dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de helft als
beiden weekenduitgaven gehandicapte kinderen in aanmerking nemen. 1.12 ScholingsuitgavenScholingsuitgaven
zijn uitgaven voor het door belastingplichtige zelf volgen van een opleiding
of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor
de uitgaven geldt een drempel van 500 en een maximum van 15.000. Als
belastingplichtige recht heeft op aftrek van de vaste bedragen in het kader
van de wet studiefinanciering wordt het maximum daarmee verhoogd. Dit zijn
dezelfde bedragen als in 2001. 1.13 Kapitaalverzekering eigen woningVoor de
uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (box 1) kunnen de volgende
vrijstellingen van toepassing zijn: ·
Bij 15 tot en met
19 jaar premiebetaling: maximaal 29.400 ( 28.500); ·
Bij 20 jaar of meer
premiebetaling: maximaal 129.500 ( 125.500). De
totale vrijstelling kan nooit meer bedragen dan 129.500 ( 125.500) per
belastingplichtige gedurende zijn leven. 1.14 Kapitaaluitkering uit levensverzekering; overgangsrechtVoor op
14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen kan onder voorwaarden een
vrijstelling van maximaal 123.428 van toepassing zijn. Dit bedrag is gelijk
aan het bedrag in 2001. 1.15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen: lijfrente en andere premiesPremies
voor lijfrenten zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is voldaan
aan de voorwaarden voor lijfrentepremie-aftrek, gelden vervolgens voor de
hoogte van de premie-aftrek de volgende regels: ·
Betaalde lijfrentepremies
zijn tot een bedrag van 1.069 ( 1.036) in elk geval aftrekbaar (de
basisruimte). Indien een werknemersspaarrekening is gedeblokkeerd voor de
betaling van vrijwillige premies voor een pensioenregeling, moet de
basisruimte met dit bedrag worden verminderd; ·
Boven de
basisruimte betaalde premies zijn alleen aftrekbaar voor zover de
belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan 65 jaar. De
hoogte van het aftrekbare bedrag moet bepaald worden aan de hand van de
jaarruimte of reserveringsruimte; ·
De jaarruimte
bedraagt maximaal 23.271; ·
De
reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste 17% van de
premiegrondslag met een maximum van 5.885 ( 5.708). Voor de
belastingplichtige die op 1 januari 2002 de leeftijd van 55 jaar heeft
bereikt, wordt het maximumbedrag van 5.885 ( 5.708) verhoogd tot 11.626 ( 11.276). Premies
voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, premies WAZ en premies van
lijfrenten voor meerderjarige invalide(klein)kinderen zijn niet gebonden aan
een maximaal aftrekbedrag. 1.16 KamerverhuurvrijstellingDe
vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2002 3.493 ( 3.399). 1.17 GiftenaftrekVoor
giften die niet in de vorm van periodieke uitkeringen zijn gedaan (de
zogenaamde andere giften) geldt een drempel van 60 of als dat meer is 1%
van het verzamelinkomen (vσσr toepassing van de persoonsgebonden
aftrek). Tevens geldt voor deze giften een maximum van 10% van dat inkomen.
Bij partners geldt dat zij hun andere giften en hun verzamelinkomens moeten
samenvoegen. Onder
voorwaarden zijn giften in de vorm van periodieke uitkeringen volledig
aftrekbaar. 1.18 InvesteringsaftrekDe belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek.
1.18.1 KleinschaligheidsinvesteringsaftrekDe belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een aangewezen percentage van het investeringsbedrag van de winst over dat jaar aftrekken.
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen
voor het hele samenwerkingsverband samengenomen. 1.18.2 Energie-investeringsaftrekVoor ondernemers
die investeren in bedrijfsmiddelen met
betrekking waartoe is verklaard dat sprake is van energie-investeringen
(investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie)
geldt de energie-investeringsaftrek. Hieronder kunnen tevens worden
begrepen de kosten van een advies dat (mede) op die investering betrekking
heeft ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij
processen. De
energie-investeringsaftrek bedraagt 55% bij een bedrag aan
energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan 1.900 (
1.800). Als bedrag aan
energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen
99.000.000 ( 96.000.000). Bij een
samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele
samenwerkingsverband samengenomen. Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek als de energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. 1.18.3 Milieu-investeringsaftrekVoor
ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als
milieu-investeringen (investeringen in het belang van de bescherming van het
Nederlandse milieu) geldt de milieu-investeringsaftrek. Hieronder kunnen
tevens worden begrepen de kosten van een milieu-advies. Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan 1.900 ( 1.800) bedraagt de milieu-investeringsaftrek: voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I: 40% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II: 30% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III: 15% De
milieu-investeringsaftrek is van toepassing naast de
kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Heeft de ondernemer gekozen voor de
energie-investeringsaftrek, dan komt de investering niet tevens in aanmerking
voor de milieu-investeringsaftrek. 1.18.4 DesinvesteringsbijtellingEen ondernemer die in een jaar bedrijfsmiddelen van de
hand doet (desinvesteert) waarin hij binnen vijf jaar daarvoor heeft
geοnvesteerd, moet, als hij met die desinvestering een bepaalde drempel
overschrijdt, een bedrag aan de winst toevoegen gelijk aan het destijds
genoten investeringsaftrekpercentage over het bedrag van de desinvestering.
Daarbij kan de desinvesteringsbijtelling niet hoger zijn dan de destijds
genoten investeringsaftrek. De desinvesteringsdrempel is voor 2002 vastgesteld op
1.900 ( 1.800). 1.19 ScholingsaftrekOm scholing van in de onderneming werkzame personen te
stimuleren kunnen bedrijven een deel van de scholingskosten extra aftrekken
van de fiscale winst.
1. De
scholingsaftrek bedraagt 20% van de scholingskosten. 2.
Indien
de scholingskosten niet meer bedragen dan 124.000 ( 120.000) wordt de
scholingsaftrek over de eerste 30.000 ( 29.000) verhoogd met 20%. 3.
De
scholingsaftrek wordt verder verhoogd met 40% van de scholingskosten die
betrekking hebben op personen van 40 jaar en ouder. 4. De scholingsaftrek wordt verder verhoogd met 20% van de scholingskosten die betrekking hebben op het op startkwalificatieniveau brengen van in de onderneming werkzame personen. Indien met betrekking tot de kosten en lasten van scholing van een persoon de verhogingen onder 2, 3 en 4 van toepassing zijn, wordt de verhoging onder 4 zodanig verlaagd dat de totale verhoging 70% bedraagt. Als bedrag aan scholingsaftrek wordt ten hoogste in
aanmerking genomen
2.390.000 ( 2.310.000). 1.20 OndernemersaftrekDe ondernemersaftrek is
het gezamenlijke bedrag van: ·
de zelfstandigenaftrek; ·
de aftrek voor speur- en
ontwikkelingswerk; ·
de meewerkaftrek; en ·
de stakingsaftrek. 1.20.1 ZelfstandigenaftrekDe
zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium
voldoet en die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog
niet heeft bereikt. Bij een winst in 2002 van:
Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande
kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan
tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek
verhoogd met 1.829
( 1.774) (startersaftrek). 1.20.2 Aftrek speur- en ontwikkelingswerkDe aftrek
voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de ondernemer die aan het
urencriterium voldoet en die in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt
aan werk dat bij een S&O-verklaring is aangemerkt als speur- en
ontwikkelingswerk. De aftrek bedraagt 5.145 ( 4.990). Indien
de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen
ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de aftrek
voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast, wordt de aftrek speur- en
ontwikkelingswerk verhoogd met 2.573 ( 2.495). 1.20.3 MeewerkaftrekDe
meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en
van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming
waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt
1.20.4 StakingsaftrekDe
stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt
met of bij het staken van ιιn of meer gehele ondernemingen waaruit hij als
ondernemer winst geniet en bedraagt 3.630
eenmaal per leven. Voor
belastingplichtigen die op 31 december 2000 ondernemer waren en dit nog
steeds zijn, wordt de stakingsaftrek verhoogd tot 17.062 voor ondernemers
van 55 jaar of ouder en tot 7.987 voor ondernemers jonger dan 55 jaar. De
verhoging wordt verminderd met een eerder genoten stakingsvrijstelling en
stakingsaftrek. 1.21 OudedagsreserveDe ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die
bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over
dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. Dit betekent dat hij elk jaar een
bepaald bedrag als aftrekpost ten laste van de winst mag brengen. De toevoeging aan de oudedagsreserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst, maar niet meer dan 10.178 ( 9.871). Deze toevoeging wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies. De toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat. 1.22 Extra lijfrentepremie-aftrek bij stakende ondernemersDe
extra ruimte aan lijfrentepremie-aftrek bij ondernemers die hun onderneming
of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:
373.331 ( 362.105) bij: ·
overdrachten door
ondernemers van 60 jaar of ouder; ·
overdrachten door
invalide ondernemers; ·
het staken van de
onderneming door overlijden. 186.668 ( 181.055) bij: ·
overdrachten door
ondernemers van 50 tot 60 jaar; ·
overdrachten door
ondernemers indien de lijfrente-uitkeringen direct ingaan.
93.338 ( 90.531): ·
in de overige
gevallen. 1.23 Box 3 1.23.1 Heffingvrij vermogenBij de
berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft een
belastingplichtige recht op een heffingvrij vermogen van 18.146 ( 17.600).
Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden overgedragen aan de
partner. 1.23.2 KindertoeslagHet
heffingvrije vermogen kan worden verhoogd met de kindertoeslag indien de
belastingplichtige als ouder op 31 december 2002 het gezag uitoefent over
minderjarige kinderen. De kindertoeslag bedraagt
2.422 ( 2.349) per minderjarig kind. Indien de belastingplichtige een
partner heeft, wordt de kindertoeslag bij de oudste partner in aanmerking
genomen, tenzij zij gezamenlijk anders verzoeken. 1.23.3 OuderentoeslagHet
heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden verhoogd met de
ouderentoeslag. De hoogte van de ouderentoeslag wordt als volgt berekend: Bij een
inkomen uit werk en woning - vσσr inachtneming van de uitgaven voor
kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek - van:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||