Expatax - VMB Advies

Home

Aangifte 2006

Over deze site

Laatste nieuws

Onze diensten

Tarieven

Contact

Diverse
onderwerpen

Nieuwsbrief

Belastingplan
2001

Gecertificeerd lid van het College van Belastingadviseurs

Belastingherziening 2001

De definitieve regeling (let op deze pagina bevat 2001 bedragen)

Let op: Neem voordat u een beslissing neemt op basis van ondergaande tekst eerst contact met ons op. Mogelijk is de wet inmiddels aangepast of heeft de rechter een ander standpunt ingenomen welke nog niet in de tekst is verwerkt. Hiermee voorkomt u dat u achteraf met gewijzigde bepalingen wordt geconfronteerd.

Per 1 januari 2001 is ons belastingstelsel ingrijpend herzien. Er is een nieuwe wet inkomstenbelasting en voor andere belastingen – met name voor de loon- en vennootschapsbelasting – zijn ingrijpende wijzigingen doorgevoerd. Verder zijn de indirecte belastingen verhoogd. De BTW is gestegen van 17,5% naar 19% en diverse milieuheffingen zijn nog forser gestegen.

Het boxenstelsel

De belangrijkste wijziging in de systematiek van de inkomstenbelasting is de invoering van een boxenstelsel. De inkomensbestanddelen binnen de nieuwe wet op de inkomstenbelasting worden ingedeeld in drie boxen. Door deze aanpak ontstaat de mogelijkheid om de diverse inkomensbestanddelen per box afzonderlijk in de heffing te betrekken, volgens eigen regels en tegen een eigen tarief. Dit in tegenstelling tot het oude systeem, waarbij alle bestanddelen van het fiscale inkomen worden samengevoegd tot één belastbaar inkomen.

Box I omvat het belastbaar inkomen uit werk en woning

Deze box omvat winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, resultaat uit overige werkzaamheden, inkomsten uit periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit de eigen woning die als hoofdverblijf ter beschikking staat en negatieve uitgaven voor inkomensvoor-zieningen, verminderd met uitgaven voor inkomensvoorzieningen, uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek. Voor het inkomen in deze box geldt het volgende schijventarief:

                                                Tot 65 jaar     65 en ouder

1e schijf nihil - ƒ 32.769            32,35%           17,45%

2e schijf ƒ 32.770 - ƒ 59.520      37,60%           27,00%

3e schijf ƒ 59.921 - ƒ 102.052    42,00%           42,00%

4e schijf ƒ 102.053 en hoger     52,00%           52,00%

De bijzondere tarieven van 45% (voor bijvoorbeeld gouden handdrukken) en 20% (bij overlijden) worden afgeschaft.

 

Box II omvat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Inkomen uit aanmerkelijk belang wordt belast tegen een vast tarief van 25%.

 

Box III omvat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Inkomen uit sparen en beleggen wordt belast volgens de vermogensrendementsheffing. Basis voor deze heffing is een forfaitair rendement van 4% van het netto-vermogen. Dit is de werkelijke waarde van de bezit-tingen minus schulden. Het tarief van de vermogensrendementsheffing is 30%, waardoor de heffing uitkomt op 1,2% van het netto-vermogen.

Elke box heeft een belastbaar inkomen en het totale inkomen in de drie boxen vormt het verzamelinkomen. Tussen de boxen onderling is géén verrekening mogelijk. Een verlies in één van de drie boxen kan uitsluitend verrekend worden met positieve inkomsten in diezelfde box.

Dit verbod geldt niet alleen voor verrekening in het kalenderjaar zelf, maar ook voor verrekening naar het verleden én de toekomst. Tussen de boxen bestaat een rangorde. Inkomen dat wordt belast in een box of daar uitdrukkelijk is vrijgesteld van belastingheffing, kan niet (nogmaals) in een andere box in de heffing worden betrokken. Een uitzondering geldt voor:

· schulden waarvan de renteaftrek expliciet is uitgesloten in box I of box II;

· tijdelijke vermogensverschuivingen tussen box III en de andere boxen.

De wet maakt een inbreuk op het boxenstelsel voor diverse in deze wet aangegeven uitgaven. Deze uitgaven zijn ondergebracht in de persoonsgebonden aftrek. Hiertoe behoren onder meer alimentatiebetalingen, verliezen op leningen aan startende ondernemers (Tante Agaathleningen), buitengewone uitgaven (voor ziekte e.d.), scholingsuitgaven en aftrekbare giften. De persoonsgebonden aftrek moet in mindering worden gebracht op achtereenvolgens het belastbaar inkomen in box I, box III en box II. Is het belastbaar inkomen in de drie boxen niet toereikend, dan wordt het restant van de aftrek doorgeschoven voor verrekening in het volgende jaar.

Deze systematiek kan leiden tot een verrekening tegen het 30% of zelfs het 25% tarief! Dit nadelige effect kan optreden bij bijvoorbeeld een afkoop van alimentatie. Mede gelet op de komende tariefsverlaging in box I (van 60% naar 52%) kon een dergelijke afkoop beter vóór invoering van het nieuwe belastingstelsel plaatsvinden.

Verliesverrekening

In het boxensysteem kunnen verliezen uitsluitend verrekend worden binnen de box en wel met positieve inkomsten in de drie voorafgaande en de acht volgende jaren. Verliezen uit onderneming (box I) en verliezen uit aanmerkelijk belang (box II) kunnen in de tijd onbeperkt voorwaarts worden verrekend. Volgens de overgangsregeling kunnen verliezen van vóór 2001 uitsluitend verrekend worden met positief inkomen in box I.

Voor een verlies uit aanmerkelijk belang geldt een afwijkende regeling. Dit verlies kan uitsluitend verrekend worden met positief inkomen in box II. Een taxcredit uit hoofde van een aanmerkelijkbelangverlies kan verrekend worden met de belasting over het verzamelinkomen.

Verliezen die in 2001, 2002 en 2003 ontstaan in box I kunnen achterwaarts worden verrekend met het belastbare inkomen (anders dan winst uit aanmerkelijk belang) over de drie jaren vóór 2001. Verlies uit aanmerkelijk belang (box II) kan uitsluitend verrekend worden met winst uit aanmerkelijk belang uit de drie jaren vóór 2001.

Regeling voor partners

De Wet inkomstenbelasting 2001 introduceert het begrip ‘partner’. Hieronder wordt verstaan de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerd partner. Ongehuwde meerderjarigen die meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voeren en op hetzelfde woonadres staan ingeschreven, kunnen gezamenlijk kiezen om als partner te worden aangemerkt. Deze keuze moet jaarlijks in de aangifte worden gemaakt.

De belastingheffing bij partners wordt zoveel mogelijk geïndividualiseerd. Inkomsten worden belast bij de partner die ze geniet, kosten komen in aftrek bij de partner op wie ze drukken. In de praktijk kunnen zich hierbij toerekeningsproblemen voordoen. Daarom geldt een speciale toerekeningsregeling voor de vermogensbestanddelen die in box III belast worden, de belastbare inkomsten uit eigen woning en aanmerkelijk belang, de buitengewone uitgaven en de uitgaven voor kinderopvang, levensonderhoud, scholing en gehandicapte kinderen.

De partners mogen deze inkomsten en uitgaven (mits zij het gehele jaar partners zijn) naar eigen keuze onderling verdelen, in elke gewenste verhouding. Hierbij geldt wél dat wanneer een partner kiest voor bepaalde inkomsten of bestanddelen dat men dan ook de bijbehorende kosten c.q. schulden krijgt toegerekend.

Heffingskortingen

De huidige belastingvrije sommen worden vervangen door een stelsel van heffingskortingen. De heffingskorting is een korting op de te betalen belasting. De algemene heffingskorting bedraagt f 3.473 maar nooit meer dan de verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen.

Voor partners geldt een gezamenlijke verrekening. De partner die geen of onvoldoende belasting verschuldigd is, kan de algemene heffingskorting toch verkrijgen als de andere partner ten minste twee maal de heffingskorting aan belasting en premies heeft betaald.

Op de algemene heffingskorting kunnen – afhankelijk van de feitelijke situatie van de belastingplichtige – één of meer toeslagen komen:

· de arbeidskorting voor werkenden van maximaal f 2.027

· de kinderkorting van f 84

· de aanvullende kinderkorting van f 419

· de combinatiekorting van f 304

· de alleenstaande-ouderkorting van f 2.779

· de aanvullende alleenstaande-ouder-korting van f 2.779

· de ouderenkorting van f 520

· de aanvullende ouderenkorting van f 529

Box I:

Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming

De meest ingrijpende wijziging in de winstsfeer betreft de herziening van het ondernemersbegrip. In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt het begrip ondernemer gedefinieerd als ‘de belastingplichtige voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming’.

Deze definitie sluit het fiscaal ondernemerschap uit voor degenen die slechts medegerechtigd zijn tot het vermogen van een onderneming en niet rechtstreeks aansprakelijk zijn jegens de schuldeisers. Het betreft met name commanditaire vennoten en stille (onder)maten, zij verliezen hun status als ondernemer. In tegenstelling tot het oorspronkelijke wetsvoorstel blijven commanditaire participaties en dergelijke belast in box I.

Commanditaire vennoten en (onder)maten worden als een bijzondere categorie winstgenieters gezien: als ‘quasi-ondernemers’. Hun inkomen wordt belast als winst uit onderneming. Deze ‘medegerechtigden’ zijn geen echte ondernemers. Zij hebben dan ook geen recht op ondernemersfaciliteiten (een enkele uitgezonderd). Zij komen wél in aanmerking voor investeringsgerelateerde faciliteiten (zoals de investeringsaftrek, willekeurige afschrijving, etc.).

Aanscherping urencriterium

Om in aanmerking te komen voor diverse ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigen- en startersaftrek en de fiscale oudedagsreserve (FOR), moet voldaan worden aan het urencriterium. Dit criterium houdt in dat de ondernemer per kalenderjaar de helft van de voor werkzaamheden beschikbare tijd én ten minste 1225 uren aan de onderneming moet besteden. Voor de beoordeling hiervan bij samenwerkingsverbanden van verbonden personen, met name man-vrouw firma’s en maatschappen, wordt een gebruikelijkheidstoets ingevoerd.

Op grond van die toets moeten de feitelijke werkzaamheden van de verbonden personen worden vergeleken. Als daaruit blijkt dat een firmant of maat, gerelateerd aan het hoofddoel van de firma, slechts ondersteunende werkzaamheden verricht, dan moet worden nagegaan of een dergelijke firma maatschappelijk gebruikelijk is. Is dat niet het geval, dan tellen de uren die de firmant voor het samenwerkingsverband heeft gewerkt, niet mee voor het urencriterium. Dit betekent dat de betrokkene niet in aanmerking komt voor de eerder genoemde ondernemersfaciliteiten.

Versobering ondernemersfaciliteiten

Diverse ondernemersfaciliteiten worden beperkt. Zo wordt de stakingsvrijstelling van f 20.000 (of onder voorwaarden f 45.000) beperkt tot f 8.000. Deze vrijstelling kan nog slechts worden verkregen bij het geheel staken van de onderneming. De huidige vrijstellingen worden bij wijze van overgangsregeling in vijf jaar tijd rechtevenredig afgebouwd tot f 8.000.

De bijzondere tarieven van 20% bij overlijden en 45% bij staking van de onderneming bij leven worden afgeschaft.

Specifiek voor samenwerkingsverbanden, zoals firma’s en maatschappen, is van belang dat de investerings- en scholingsaftrek voortaan niet meer per ondernemer, maar voor het samenwerkingsverband als geheel wordt toegekend. De bestaande zelfstandigen-, meewerk-, stakings-, speur- en ontwikkelingsaftrek worden samengevoegd tot één ondernemersaftrek. Deze aftrek wordt onderdeel van de fiscale winstberekening. Dit geldt ook voor de mutaties van de fiscale oudedagsreserve. Vanaf 2001 moet de FOR op de balans worden opgevoerd.

De bijtelling voor het privé-gebruik van een auto van de zaak wordt voor ondernemers én werknemers verhoogd (zie hierna). Voorts wordt de aftrek voor woon-werkkilometers beperkt: de ondernemer die voor het woon-werkverkeer gebruik maakt van een personenauto kan de kosten van deze kilometers nog slechts voor een beperkt forfaitair bedrag ten laste van de winst brengen.

Inkomsten uit arbeid

De belangrijkste wijziging voor werknemers is het schrappen van de aftrek voor beroepskosten.

Daarnaast worden de regels voor een belastingvrije kostenvergoeding aangescherpt. Ter compensatie wordt aan werkenden een extra heffingskorting, de arbeidskorting, van maximaal f 2.027 toegekend.

Ook de aftrek van reiskosten wordt beperkt: een aftrek is uitsluitend nog mogelijk als per openbaar vervoer wordt gereisd. Een belastingvrije vergoeding (uitgekeerd door de werkgever) van de reiskosten per eigen vervoer blijft (onder voorwaarden) mogelijk.

In afwijking van het oorspronkelijke wetsvoorstel worden de bedrijfsspaarregelingen niet beperkt. De huidige vrijgestelde bedragen (f 1.736 spaarloon en f 1.158 premiespaarregeling) worden ‘bevroren’. De mogelijkheden om spaarloon voortijdig, binnen vier jaar, belastingvrij op te nemen worden uitgebreid met opnamen voor het starten van een eigen bedrijf, voor verlofsparen of voor scholingsuitgaven. De 10% loonheffing die de werkgever thans verschuldigd is over het spaarloon wordt verhoogd tot 15%. Deze heffing gaat ook gelden voor de premiespaarregelingen.

Auto van de zaak

De regeling voor de bijtelling privé-gebruik auto wordt verfijnd en gaat meer aansluiten bij het feitelijke privé-gebruik. Als het privé-gebruik meer dan 7.000 km per jaar bedraagt, dient 25% van de cataloguswaarde van de auto tot het inkomen gerekend te worden. Bij een privé-gebruik van minder dan 7.000 km gelden lagere percentages: zie de tabel. Om in aanmerking te komen voor die lagere percentages moet een rittenadministratie worden bijgehouden.

De bijtelling kan achterwege blijven als het de werknemer (contractueel) verboden is om de auto voor privé-doeleinden te gebruiken én daar bij overtreding sancties op staan. Het woon-werkverkeer wordt niet aangemerkt als privé-gebruik auto. De bijtelling geldt ook voor bestelauto’s (met een grijs kenteken) tenzij deze uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zijn ingericht voor beroepsgoederenvervoer.

Voor klassieke auto’s die ouder zijn dan 15 jaar wordt de basis voor de bijtelling opgetrokken. De historische cataloguswaarde zal niet langer als uitgangspunt dienen, maar de waarde in het economische verkeer.

Bijtelling privé-gebruik auto

Aantal privé kilometers        Bijtelling

tot 500                                      nihil

500 t/m 4.000                          15%

4.000 t/m 7.000                       20%

meer dan 7.000                      25%

Overige werkzaamheden

‘Resultaat uit overige werkzaamheid’ is een nieuwe bron van inkomen. Hieronder vallen de neveninkomsten uit de huidige wet, alsmede het resultaat uit het rendabel maken van vermogen, door dit ter beschikking te stellen aan een onderneming van een verbonden persoon, de eigen B.V. of een B.V. van verbonden personen. Onder een met de belastingplichtige verbonden persoon wordt verstaan de partner en de minderjarige kinderen. Tevens vallen hieronder de bloed- en aanverwanten in de rechte lijn indien het handelt om een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

De wet hanteert een ruime omschrijving voor het begrip ‘ter beschikking stellen’. Diverse transacties worden hiermee gelijkgesteld. Het resultaat uit overige werkzaamheid wordt bepaald alsof er sprake is van een onderneming. Dit betekent dat de genieter van het resultaat uit overige werkzaamheid een bedrijfsadministratie moet gaan voeren.

Een andere consequentie is dat vermogenswinsten op zaken die worden ingezet voor het behalen van het resultaat uit overige werkzaamheid, belast worden! Ondernemersfaciliteiten worden, op een enkele uitzondering na, niet verleend. Voor de herwaardering van vermogensbestanddelen per 1 januari 2001 geldt een complexe overgangsregeling. Dit wordt nader toegelicht in het hoofdstuk over Box II.

De eigen woning

De fiscale behandeling van de eigen woning die de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat, verandert niet onder de nieuwe inkomstenbelasting. Dit betekent dat zowel het huurwaardeforfait (in de nieuwe terminologie, het eigenwoningforfait) als de aftrek van de hypotheekrente gehandhaafd blijven.

Het eigenwoningforfait geldt alleen voor de eigen woning die als hoofdverblijf dient. Per huishouden kan maar één hoofdverblijf als eigen woning worden aangemerkt. Indien tijdelijk twee woningen als hoofdverblijf ter beschikking staan, bijvoorbeeld bij nieuwbouw of bij verhuizing, geldt onder voorwaarden een verzachtende regeling om de aftrek van hypotheekrente op beide woningen (tijdelijk) in stand te laten. Een dergelijke regeling geldt ook voor een tijdelijke overbrugging bij echtscheiding.

De tweede woning, met de daaraan toe te rekenen hypothecaire schuld, valt vanaf 2001 in box III.

De aftrek van hypotheekrente blijft in hoofdlijnen ongewijzigd. Wél wordt de aftrek beperkt tot een periode van maximaal 30 jaar (voor bestaande leningen te rekenen vanaf 1 januari 2001). De aftrek van rente op rente bij bijleenhypotheken vervalt. Nieuw is ook het vervallen van de rente-aftrek voor zover de belastingplichtige de vrijgestelde uitkering van maximaal f 272.000 (partners f 544.000) op een kapitaalverzekering eigen woning heeft benut. Deze regeling geldt uitsluitend voor kapitaalverzekeringen die op of na 1 januari 2001 worden afgesloten.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van een kapitaalverzekering eigen woning moet deze verzekering aan een groot aantal voorwaarden voldoen. Zo moet expliciet uit de polis blijken dat de uitkering uitsluitend kan worden aangewend tot aflossing van de (resterende) schuld op de eigen woning. De vrijstelling is dan ook beperkt tot het bedrag van die schuld.

Lopende kapitaalverzekeringen kunnen desgewenst aan de eigen woning worden gekoppeld. Een verzoek daartoe moet bij de aangifte over 2001 worden gedaan.

Oudedagsvoorzieningen

De eerder aangekondigde ‘oudedagsparaplu’ wordt slechts op beperkte schaal ingevoerd. De fiscale faciliëring van pensioenen blijft in stand, evenals de oudedagsreserve voor ondernemers. Het lijfrenteregime wordt wel gemoderniseerd. Een aftrek van lijfrente-premies is vanaf 2001 nog slechts mogelijk om een pensioentekort op te vullen.

Een uitzondering geldt voor de vaste aftrek van f 2.283. Hiervan kan iedereen gebruik maken, ook als er geen pensioentekort is. Partners kunnen deze vaste aftrek niet aan elkaar overdragen. Om een pensioentekort op te vullen, kan jaarlijks maximaal 17% van de premiegrondslag aan lijfrentepremies in aftrek worden gebracht.

De premiegrondslag omvat globaal het actuele inkomen met een maximum van f 282.609. Op deze aftrek (van maximaal f 48.043) moeten diverse posten in mindering worden gebracht, zoals de aangroei van pensioenaanspraken en de toevoegingen aan de FOR.

Als deze ‘jaarruimte’ niet volledig is benut, dan kan binnen zeven jaar de ‘inhaalruimte’ worden gebruikt om het pensioentekort (over die jaren) op te vullen. Deze inhaalaftrek bedraagt maximaal f 12.149 (voor 55+ f 24.001). Voor lopende lijfrentepolissen is een beperkte overgangsregeling.

Vanaf 1 januari 2001 gelden de nieuwe grenzen voor premie-aftrek onverkort, zodat de premie – afgezien van de vaste aftrek van f 2.283 – nog slechts aftrekbaar is voor zover er sprake is van een pensioentekort.

Box II:

Inkomen uit aanmerkelijk belang

Een aanmerkelijk belang?

Box II is van belang voor de belastingplichtige die een aanmerkelijk belang in een B.V. heeft. Dit is het geval als hij, al dan niet samen met zijn partner, voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder in die BV is. Daarbij moet het begrip ‘partner’ worden uitgelegd in de zin van de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001. Nieuw is dat de duurzaam gescheiden echtgenoot c.q. de geregistreerde partner tot de relevante familiegroep blijft behoren. Van een aanmerkelijk belang is ook sprake bij een koopoptie van ten minste 5% op het geplaatste kapitaal van een B.V.

Tarief blijft 25%

Het aanmerkelijk-belangtarief blijft gehandhaafd op 25%. Aanmerkelijk-belanghouders moeten dit wel zelf betalen. De geplande uitbreiding van de 30%-tariefschijf in de vennootschapsbelasting van f 50.000 tot f 100.000 gaat niet door en de meesleepregeling is drastisch aangepast.

Aftrekbare kosten met betrekking tot een pakket aanmerkelijk-belangaandelen kunnen slechts verrekend worden tegen het 25%-tarief. Dit geldt ook voor de financieringsrente op een schuld ter verwerving van aanmerkelijk-belangaandelen. Door het achterwege blijven van de tariefsverhoging blijft de belastingdruk op de winst in een B.V. gehandhaafd op 51,25% (afgezien van de tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting tot 30% over de eerste f 50.000 winst per 1 januari 2000). Die belastingdruk is ongeveer gelijk aan de maximale 52% heffing van de inkomstenbelasting over de winst uit een IB-onderneming.

De meesleepregeling

Een belangrijke wijziging voor aanmerkelijk-belanghouders is dat alle vermogensbestanddelen die zij ‘rechtens dan wel in feite, direct of indirect’ ter beschikking stellen aan de B.V., zoals geldleningen of een pand, in de belastingheffing worden betrokken als ‘resultaat uit overige werkzaamheid’ in box I.

Schulden die zijn aangegaan ter financiering van de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen, behoren ook tot deze werkzaamheid. Deze regeling is niet alleen van toepassing bij het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de eigen B.V., maar ook aan de B.V. waarin de partner of een van hun bloed- of aanverwanten in de rechte lijn een aanmerkelijk belang heeft. Ook het ter beschikking stellen aan een samenwerkingsverband waarvan de B.V. deel uitmaakt, leidt tot belastingheffing in Box I.

Zoals hiervoor onder box I is beschreven, geldt het winstregime bij de belastingheffing van het ‘resultaat uit overige werkzaamheid’. Dit betekent dat bijvoorbeeld bij de verhuur van een pand aan de B.V., op de huuropbrengst diverse kosten in aftrek gebracht kunnen worden. Denk aan de afschrijving op het pand, de financierings- en onderhoudskosten, etc. Keerzijde van deze medaille is dat de boekwinst, die behaald wordt bij de verkoop van het pand, ook als resultaat uit overige werkzaamheid tegen het progressieve tarief van box I in de belastingheffing wordt betrokken! Deze afrekening vindt ook plaats als het pand niet meer aan de eigen B.V., maar aan een derde verhuurd wordt. Of als de aanmerkelijk-belanghouder zijn aandelen in de B.V. verkoopt.

Door die gewijzigde omstandigheden is de meesleepregeling niet meer van toepassing.

Bij dergelijke vormen van fictieve vervreemding moet de verschuldigde belasting direct worden voldaan.

Onder de meesleepregeling valt onder meer de verhuur van een pand, het ter beschikking stellen van een octrooi, het lenen van geld aan de BV en een bij de BV afgesloten kapitaalverzekering. Bij het ter beschikking stellen van de eigen woning of een gedeelte daarvan is de wettelijke regeling inzake ‘resultaat uit overige werkzaamheid’ niet van toepassing. De directeur-aandeelhouder kan zodoende een werkkamer in zijn privé-woning gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de B.V., zonder geconfronteerd te worden met belastingheffing in box I.

Deze uitzondering geldt niet bij het ter beschikking stellen van een (bouwtechnisch) zelfstandig gedeelte, zoals een aanbouw aan de eigen woning. Door de ruime omschrijving van het ‘ter beschikking stellen’ is de meesleepregeling niet eenvoudig te vermijden.

Vermogensbestanddelen die onder de meesleepregeling gaan vallen, moeten op 1 januari 2001 te boek worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer. Door deze step-up wordt voorkomen dat waardemutaties, die onder de huidige wettelijke regeling zijn ontstaan, alsnog onder de belastingheffing gaan vallen. Voor diverse vermogensbestanddelen wordt geen step-up verleend, bijvoorbeeld voor vergunningen, ontheffingen, concessies, etc. Dit geldt ook voor turbovorderingen.

Dergelijke vorderingen worden vanaf 1 januari 2001 in de belastingheffing betrokken als ‘resultaat uit overige werkzaamheid’ en krijgen per die datum een fiscale boekwaarde, gelijk aan de oorspronkelijke verkrijgingsprijs. Dit betekent dat de belastingclaim op turbovorderingen per 1 januari 2001 meer dan verdubbelt: van 25% naar 52%!

Lopende kapitaalverzekeringen die de aanmerkelijk-belanghouder binnen de eigen B.V. heeft afgesloten, gaan per 1 januari 2001 zonder belastingheffing over naar box I. Deze worden daarna als ‘resultaat uit overige werkzaamheid’ in de belastingheffing betrokken en gaan per 1 januari 2001 over naar box I voor de waarde die geldt in het economische verkeer. Door deze step-up blijft de aangegroeide rente tot 1 januari 2001, evenals bij andere kapitaalverzekeringen, buiten de heffing, mits de polis regulier wordt afgewikkeld. Deze vrijgestelde uitkering vermindert wel de lifetime vrijstelling voor kapitaalverzekeringen eigen woning.

Afrekening bij boxovergang

In de nieuwe wet kunnen zich diverse overgangen tussen box II en box III voordoen. Denk aan een pakket aandelen dat aangroeit tot een aanmerkelijk belang en van box III naar box II moet worden overgebracht. Voorgesteld wordt om in deze situatie een step-up te verlenen en de verkrijgingsprijs vast te stellen op de werkelijke waarde op dat tijdstip. Het inkomen uit aanmerkelijk belang blijft dan beperkt tot de waardemutaties van en inkomsten uit de aandelen na dat tijdstip. De omgekeerde situatie doet zich voor als een pakket aanmerkelijk-belangaandelen onder de kritische grens van 5% van het geplaatste kapitaal van de B.V. zakt en van box II naar box III moet worden overgeheveld. Dan moet er afgerekend worden over het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen en de verkrijgingsprijs. Voor deze afrekening kan geen uitstel van betaling worden verkregen. De aandeelhouder kan deze afrekening voorkomen door de aandelen in box II te houden. Dit heeft wel tot gevolg dat alle latere waardemutaties van de aandelen in box II belastbaar blijven.

Verliesverrekening

Een verlies uit aanmerkelijk belang wordt verrekend binnen box II zelf en daarna, als belastingkorting van 25% van de verliezen, in mindering gebracht op de belasting die is verschuldigd in box I.

Box III:

Inkomen uit sparen en beleggen

De vermogensrendementsheffing

De Wet inkomstenbelasting 2001 kent voor de belastingheffing over inkomsten uit vermogen een geheel nieuw systeem: de vermogensrendementsheffing. Onder de oude wettelijke regeling werden werkelijk genoten inkomsten, zoals huur, rente en dividend, belast tegen het progressieve tarief; vermogenswinsten en verliezen bleven buiten de belastingheffing. In het nieuwe belastingstelsel worden niet meer de werkelijk genoten inkomsten in de belastingheffing betrokken, maar een forfaitair, vast rendement van 4% van het vermogen. Dit rendement wordt berekend over de werkelijke waarde van de bezittingen minus de schulden die in Box III vallen. Het forfaitaire 4% rendement wordt belast tegen een tarief van 30%, waardoor de vermogensrendementsheffing 1,2% van het vermogen is.

Door de forfaitaire vaststelling van het rendement van het vermogen zijn de werkelijk genoten inkomsten niet langer van belang voor de belastingheffing. Een tegenbewijsregeling is niet in de wet opgenomen. In alle gevallen wordt het forfaitaire rendement belast. Indien in werkelijkheid meer dan 4% rendement wordt behaald, dan kan dat meerdere rendement belastingvrij worden genoten! De forfaitaire vaststelling van het rendement heeft ook tot gevolg dat kosten die gemaakt worden ter verwerving van inkomsten, zoals financieringsrente of onderhoudskosten, niet langer aftrekbaar zijn. Waardeveranderingen van het vermogen worden (indirect) in de belastingheffing betrokken doordat het 4% rendement berekend wordt over de werkelijke waarde van de bezittingen minus de schulden.

Met de invoering van de vermogensrendementsheffing wordt de vermogensbelasting afgeschaft: deze belasting wordt voor de laatste keer geheven over het vermogen per 1 januari 2000.

De peildatum

Het forfaitaire rendement moet berekend worden over het gemiddelde van het saldo van bezittingen minus schulden aan het begin én aan het einde van het kalenderjaar. De vermogensrendementsheffing kent derhalve twee peildata: 1 januari en 31 december. Door deze aanpak worden vermogensmutaties tijdens het jaar ‘gemiddeld’.

Het is niet mogelijk om de vermogensrendementsheffing te beperken door het vermogen kort vóór de peildatum tijdelijk naar een andere box over te brengen. De wet hanteert hierbij een termijn van zes maanden. Vermogensbestanddelen die niet langer dan zes maanden in een andere box zijn aangehouden, worden ook tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing gerekend. Wordt het verschoven vermogen langer dan drie, maar korter dan zes maanden in een andere box aangehouden, dan blijft toerekening aan box III achterwege mits de belastingplichtige aantoont dat er zakelijke overwegingen aan de vermogensverschuiving ten grondslag liggen.

De grondslag

De grondslag van de vermogensrendementsheffing omvat het eigen vermogen: het saldo van de bezittingen minus de schulden die niet in box I of box II vallen.

Tot de bezittingen behoren:

Onroerende zaken

Denk aan verhuurde onroerende zaken, tweede woningen, percelen bouwgrond, etc. Uitgezonderd zijn de eigen woning, het bedrijfspand van een IB-ondernemer, de onroerende zaak die een particulier aan een verbonden natuurlijk persoon ter beschikking stelt voor het drijven van een onderneming en het pand dat de directeur-aandeelhouder (of een van zijn naaste verwanten) aan ‘zijn’ B.V. verhuurt (die vallen in box I).

Rechten op onroerende zaken

Bijvoorbeeld verhuurde onroerende zaken op erfpachtgrond, het recht van vruchtgebruik op een woning, een appartementsrecht of een recht van opstal.

Roerende zaken

Hieronder vallen alle roerende zaken, voor zover de belastingplichtige en zijn huisgenoten die niet voor persoonlijke doeleinden gebruiken of verbruiken. De privé-auto, een jacht, de inboedel en dergelijke behoren derhalve niet tot de bezittingen. Een uitzondering geldt voor roerende zaken die wel voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt, maar hoofdzakelijk als belegging dienen. De inspecteur zal dat moeten aantonen. De aard en hoeveelheid van dergelijke zaken zijn daarbij van groot belang.

Rechten op roerende zaken

Denk aan termijn- en optiecontracten op edelmetalen, vreemde valuta, etc.

Rechten die niet op zaken betrekking hebben

Hieronder vallen geld, aandelen, opties, obligaties, vorderingen, winstrechten, rechten op kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen (voor zover die niet in box I vallen), etc.

Overige vermogensrechten

Onder deze restcategorie valt bijvoorbeeld een niet bedrijfsmatig geëxploiteerde vergunning of vermogen dat is ondergebracht in een trust.

Op deze bezittingen kunnen de schulden in aftrek worden gebracht.

Daarbij kunnen alle schulden in aanmerking worden genomen, ook die waarvoor geen renteaftrek in box I of box II wordt verleend. Het is niet vereist dat de schuld verband houdt met een bezitting die tot de grondslag van de vermogensrendementsheffing behoort. Dit betekent dat een schuld, die is aangegaan voor consumptieve uitgaven of ter financiering van een vrijgestelde bezitting (bijvoorbeeld een privé-auto of jacht), zonder meer in aftrek kan worden gebracht. Voor de aftrek van schulden geldt wel een drempel van f 5.509 per belastingplichtige. Latente belastingschulden kunnen niet in aftrek worden gebracht. De vermogensrendementsheffing is elk jaar ten minste nihil. Indien door de aftrek van schulden een negatief vermogen ontstaat, leidt dat niet tot een negatief forfaitair bedrag.

Diverse bezittingen en schulden zijn vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing. De belangrijkste vrijstellingen zijn:

  • Vorderingen en schulden die ontstaan door overbedeling van de langstlevende ouder bij de verdeling van een nalatenschap volgens een ouderlijke boedelverdeling.

  • Bossen, natuurterreinen en landgoederen (exclusief de gebouwde eigendommen).

  • Voorwerpen van kunst en wetenschap, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.

  • Vorderingen en schulden, die voortvloeien uit de heffing van belastingen en premies.

  • Uitvaartpolissen (tot f 12.200 per persoon) en kapitaalverzekeringen die uitsluitend tot uitkering komen bij invaliditeit, ziekte of ongeval.

  • Geblokkeerde spaartegoeden en dergelijke in gevolge een spaarloonregeling tot maximaal f 37.518.

  • Maatschappelijke beleggingen tot maximaal f 100.004 per persoon. Hieronder vallen groene beleggingen en sociaal ethische beleggingen. Voor deze beleggingen bestaat nog recht op een extra aftrekpost van 1,3% van de waarde van de beleggingen.

  • Beleggingen in durfkapitaal tot maximaal f 100.004 per persoon. Hieronder vallen leningen aan beginnende ondernemers en aandelen in aangewezen participatiemaatschappijen. Voor deze beleggingen bestaat nog recht op een extra aftrekpost van 1,3% van de waarde van de beleggingen.

Naast deze vrijstellingen geldt een vermogensvrijstelling van f 38.785 per persoon, verhoogd met f 5.000 per minderjarig kind. Samenwonende partners kunnen hun heffingsvrije bedragen bij elkaar tellen. Belastingplichtigen van 65 jaar en ouder kunnen onder voorwaarden een inkomensafhankelijke ouderentoeslag van maximaal f 25.669 op de vermogensvrijstelling krijgen.

Waardering vermogen

De bezittingen en schulden moeten op de peildata gewaardeerd worden op de waarde in het economisch verkeer. Daardoor worden waardeveranderingen, indirect als onderdeel van het forfaitair rendement, ook in de belastingheffing betrokken. Bij de waardering geldt dat bezittingen die in het economisch verkeer als een eenheid worden beschouwd, ook als een eenheid moeten worden gewaardeerd. Voor een tweede woning kan de WOZ-waarde worden aangehouden, mits de belastingplichtige die woning in belangrijke mate (30%) zelf gebruikt.

Dividendstripping

Na de invoering van de vermogensrendementsheffing behoudt de dividendbelasting haar functie als zelfstandige heffing. Niet alle dividendgenieters vallen immers onder de rendementsheffing, met name buitenlandse aandeelhouders niet. De dividendbelasting blijft als voorheffing verrekenbaar.

Om misbruik van verrekening te voorkomen, wordt een regeling tegen dividendstripping ingevoerd. Een vermindering of teruggaaf van dividendbelasting, ofwel een verrekening daarvan met de verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting, is niet mogelijk wanneer de aandeelhouder:

  • het betreffende aandeel heeft verkregen binnen tien dagen voorafgaand aan de dag waarop de dividenduitkering is vastgesteld, ofwel

  • de betreffende aandelen binnen drie maanden na de verkrijging weer heeft verkocht.

Beursfondsen krijgen de mogelijkheid om, onder voorwaarden, een belastingvrije inkoop van aandelen door te voeren.

Overgangswetgeving

Voor tweede woningen en verhuurde onroerende zaken is geen overgangsrecht voorgesteld. Deze bezittingen vallen per 1 januari 2001 direct onder de vermogensrendementsheffing. Voor lopende en uitgestelde termijnen van huur, pachten en rente is wél een specifieke overgangsmaatregel getroffen.

Het gaat hierbij om inkomsten die op 1 januari 2001:

  • volledig gerijpt, maar nog niet genoten zijn, bijvoorbeeld de huur en rente die al vervallen is, maar waarvan de betaling is uitgesteld

  • gedeeltelijk gerijpt en nog niet genoten zijn, bijvoorbeeld de lopende termijnen van huren, de lopende rente op rentespaarbrieven en zerobonds.

De vermogensbestanddelen waarop dergelijke lopende en uitgestelde inkomsten betrekking hebben, worden vanaf 1 januari 2001 voor de werkelijke waarde, inclusief lopende en uitgestelde inkomsten, onder de vermogensrendementsheffing gebracht.

De inkomsten die tot en met 31 december 2000 zijn gerijpt, worden bij uitkering niet in box III, maar in box I in de heffing betrokken en belast tegen het gewone tarief van maximaal 52%. Op lopende rentetermijnen, die in 2001 worden uitgekeerd, kan de rentevrijstelling alsnog worden toegepast. Door deze overgangswetgeving kan het aantrekkelijk zijn om de ontvangst van huren, renten en pacht uit te stellen tot na 1 januari 2001.

Indien deze inkomsten in 2000 belast worden tegen het 60% tarief, kan een belastingbesparing van 8% worden behaald.

Lopende kapitaalverzekeringen, die onder de oude wetgeving vrijgesteld zijn van belastingheffing (en die niet bij de eigen B.V. zijn afgesloten), gaan zonder fiscale afrekening over naar box III. Vanaf 1 januari 2001 wordt de waarde van de polis jaarlijks met 1,2% belast. Een uitzondering geldt voor polissen die vóór 14 september 1999 zijn afgesloten en waarvan het verzekerd kapitaal nadien niet is verhoogd, noch de looptijd is verlengd. Voor deze polissen geldt een vrijstelling tot f 272.000; slechts de meerdere waarde wordt belast in box III. Deze vrijstelling vervalt uiterlijk na 30 jaar (14 september 2029). Uitkeringen uit een dergelijke polis worden in de belastingheffing betrokken volgens de regels van de oude wet. Dit betekent dat de rente in de kapitaalsuitkering bij een reguliere afwikkeling van de verzekering belastingvrij kan worden genoten. Deze vrijgestelde uitkering vermindert wel de lifetime vrijstelling voor kapitaalverzekeringen eigen woning.

Om excessieve dividenduitkeringen tegen te gaan, wordt een superdividendheffing ingevoerd. Met die heffing wordt voorkomen dat N.V.’s en B.V.’s hun reguliere dividenduitkeringen over 1999 en 2000 opschorten tot na de invoering van de vermogensrendementsheffing. Aan N.V.’s en B.V.’s die dividend uitkeren in de jaren 2001 tot en met 2005 wordt een strafheffing van 20% vennootschapsbelasting opgelegd over dat surplusdividend indien dit hoger is dan:

  • 4% van de waarde van de geplaatste aandelen bij de aanvang van het jaar

  • of als dat hoger is: het dubbele van de dividenden die de N.V. of B.V. ‘volgens een bestendige gedragslijn’ heeft uitgekeerd over de jaren 1998 tot en met 2000

  • of als dat hoger is: het resultaat over het voorafgaande boekjaar volgens de commerciële jaarrekening.

Voor fiscale beleggingsinstellingen gelden andere limieten. Dividend aan aandee-houders met een belang van 5% of meer (zoals aanmerkelijk-belanghouders) valt buiten de strafheffing, mits die aandeelhouder een dergelijk belang ten minste drie jaar onafgebroken in bezit heeft én in Nederland, de Nederlandse Antillen, Aruba of een verdragsland woont of gevestigd is.

Persoonsgebonden aftrek

Naast de hiervoor genoemde verdergaande individualisering in de vorm van de nieuwe partnerregeling is ook nieuw dat bepaalde uitgaven worden losgemaakt van de box waarin zich inkomen bevindt. Dit zijn de zaken die als verzamelnaam de persoonsgebonden aftrek hebben gekregen. Hoewel sprake is van persoonsgebonden aftrekposten kunnen partners toch kiezen bij welke partner de kosten in aftrek worden genomen op grond van de partnerregeling.

Tot de persoonsgebonden aftrek behoren:

  • Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen; de alimentatie

  • Verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers; de Tante Agaathleningen

  • Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

  • Buitengewone uitgaven; ziekte, overlijden, arbeidsongeschiktheid, adoptie, ouderdom

  • Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen

  • Scholingskosten

  • Uitgaven voor monumentenpanden

  • Aftrekbare giften

Deze uitgaven worden als het ware gestaffeld in mindering gebracht op inkomen uit de verschillende boxen. Daarbij geldt als voorwaarde dat het inkomen uit een box niet lager mag worden dan nihil. Een eventueel overschot zakt door naar een andere box. Hierbij wordt de volgende volgorde aangehouden: I-III-II: eerst op box I-inkomen in mindering brengen, vervolgens op box III-inkomen en als laatste op box II-inkomen. Als dan nog persoonsgebonden aftrekposten resteren, schuiven die door naar een volgend jaar.

Overweging

Zoals uit deze brochure blijkt, is het oude belastingsysteem grondig gewijzigd. Eén van de grootste wijzigingen is de invoering van een boxenstelsel. Iedere box bevat een afgebakende groep inkomsten die worden belast tegen een eigen tarief. Verrekening van positieve en negatieve inkomsten is alleen nog mogelijk binnen de eigen box.

Daarnaast zijn nog meerdere zaken herzien waarvan de wetgever vond dat de rechterlijke macht deze te ruim interpreteerde. Verder zijn er nog verschillende aftrekposten geschrapt, beperkt of er zijn aanvullende voorwaarden voor gesteld. Hierdoor konden de tarieven aanzienlijk worden verlaagd waardoor bijna elke belastingplichtige er financieel op vooruit gaat in 2001. Houden wij echter ook rekening met de verhoging van de BTW van 17,5% naar 19% en de verhoging van diverse milieuheffingen en gemeentelijke heffingen dan blijkt dat dit voordeel in belangrijke mate weer wordt verlaagd.

De Wet inkomstenbelasting 2001 zal na een periode van 5 jaar door de wetgever worden geëvalueerd. Dan zal blijken in hoeverre de belastingherziening naar wens is ingevoerd.

Indien u vragen heeft met betrekking tot een van de behandelde onderwerpen in deze brochure dan kunt u hiervoor contact met ons opnemen.

Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die onjuist of onvolledig is opgenomen, alsmede voor de gevolgen van activiteiten die op basis van deze brochure worden ondernomen, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid.