AGE Belastingservice - VMB Advies

Home

Aangifte 2005

Over deze site

Laatste nieuws

Onze diensten

Tarieven

Contact

Diverse
onderwerpen

Nieuwsbrief

Belastingplan
2001

Gecertificeerd lid van het College van Belastingadviseurs

Nieuwsbrief

Februari 2001, eerste jaargang, nieuwsbrief nr. 1

In deze nieuwsbrief komen de volgende onderwerpen aan bod:

1. Tegemoetkoming lijfrenteaftrek bij pensioentekort

2. Zakelijke maaltijden in 2001

3. Geen loonheffing over niet verhaalde verkeersboetes

4. Tien redenen waarom uw salarisstrookje er anders uit ziet

5. Vrijstelling schenkingsrecht ouders aan kinderen

6. Telefoonregeling in 2001

7. Wet waardering onroerende zaken 

1. TEGEMOETKOMING LIJFRENTEAFTREK BIJ PENSIOENTEKORT

In het jaar 2001 kan iedereen een lijfrentepremie aftrekken tot maximaal f 2.283, de zogenoemde basisruimte. Echter neemt u deel aan een spaarpremieregeling dan kan dat uw premieaftrek verlagen.  Het maximaal aftrekbare bedrag van f 2.283 wordt namelijk verminderd met de premiespaar- en spaarloonbedragen die zijn gedeblokkeerd ter voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.

Naast de lijfrenteaftrek volgens de basisruimte heeft u recht op extra lijfrenteaftrek ingeval u een tekort in de opbouw van uw oudedagsvoorziening, een zogeheten pensioentekort, heeft. Een pensioentekort moet u wel kunnen aantonen. Dit vergt doorgaans het nodig rekenwerk waarbij hulp van pensioenfondsen en verzekeraars vrijwel zeker noodzakelijk is.

Volgens de huidige wettelijke regeling kunt u in een bepaald kalenderjaar de extra lijfrentepremie aftrekken als u de premie binnen zes maanden na afloop van dat jaar heeft betaald.  Staatssecretaris Bos heeft op vragen vanuit de Tweede Kamer geantwoord dat de zesmaandstermijn in beginsel lang genoeg is voor pensioenfondsen en verzekeraars om uitsluitsel te kunnen geven of in een individueel geval sprake is van een pensioentekort.

Echter om te vermijden dat pensioenfondsen en verzekeraars mogelijk niet tijdig kunnen aangeven of sprake is van een pensioentekort, en belastingplichtigen daardoor geen aanvullende lijfrentepremie kunnen aftrekken, wordt de zesmaandstermijn voor de jaren 2001 en 2002 verlengd tot twaalf maanden. Dit houdt dus in dat u in 2001 en 2002 recht heeft op aftrek van aanvullende lijfrentepremie als u inderdaad een pensioentekort heeft en de premie vóór 1 januari 2002 respectievelijk 1 januari 2003 heeft betaald.

Ik wil u hier niet vermoeien met de berekening van de extra lijfrentepremieaftrek. Mocht u willen weten of u een pensioentekort heeft dan kunt u hiervoor contact met mij opnemen zodat ik deze berekening voor u uit kan voeren. Ik volsta met de weergave van de gevallen waarin in het algemeen een extra lijfrentepremieaftrek mogelijk zal zijn.

Indien in een bepaald jaar te weinig pensioen is opgebouwd is sprake van de zogenoemde jaarruimte voor extra lijfrentepremieaftrek. Indien u alleen een vast pensioengevend salaris ontvangt, dan bestaat niet of nauwelijks de mogelijkheid voor extra premieaftrek binnen de jaarruimte. Wanneer naast een vast salaris door u ook nog andere inkomensbestanddelen worden ontvangen, zoals tantièmes, inkomsten uit een auto van de zaak of opbrengsten uit freelance werkzaamheden, dan zal veelal wel jaarruimte aanwezig zijn voor premieaftrek. Rekening dient bovendien te worden gehouden met een eventueel aanwezige pensioenregeling bij de werkgever, al lopende lijfrenteverplichtingen en voor ondernemers de dotatie aan de fiscale oudedagsreserve (FOR).

Indien de jaarruimte niet of niet helemaal is benut, bestaat gedurende zeven jaar de mogelijkheid om deze ruimte voor premieaftrek alsnog te gebruiken.

2. ZAKELIJKE MAALTIJDEN IN 2001

De nieuwe uitvoeringsregeling voor de loonbelasting 2001 is bekend gemaakt en daar is onder andere de onbelast te vergoeden zakelijke maaltijd aan de orde gekomen.

Van een zakelijke maaltijd is sprake indien deze wordt genuttigd ter zake van overwerk of werken op koopavonden. Maar ook tijdens dienstreizen of reizen in het werk van mobiele of ambulante werknemers zoals vertegenwoordigers of accountants. Ook maaltijden welke worden genuttigd tijdens een zakelijke bespreking buiten de vaste werkplek of tijdens werkzaamheden op niet permanente locaties, bijvoorbeeld wegenbouwers, bouwvakkers e.d. worden als zakelijk aangemerkt.

Volgens de nieuwe regels mag een werkgever maximaal 80 keer per jaar haar werknemer onbelast een maaltijd verstrekken of onbelast vergoeden, indien er sprake is van een zogenaamde zakelijke maaltijd. Het maximum van 80 maaltijden is het totaal van de verstrekte en de vergoede maaltijden samen. Indien er meer dan 80 maaltijden worden verstrekt en / of vergoed dan dient de werkgever voor elke koffie of lunch maaltijd f. 3,04 ( 1,38 euro) bij het loon te tellen. Voor elke warme maaltijd bedraagt de bijtelling f. 6,10 (2,77 euro). Is de maaltijd niet zakelijk, dan is de vergoeding/verstrekking geheel belast. Voor maaltijden in een bedrijfskantine geldt overigens een speciale, afwijkende regeling.

3. GEEN LOONHEFFING OVER NIET-VERHAALDE VERKEERSBOETES VRACHTWAGENCHAUFFEURS

Een transportonderneming met ongeveer 100 vrachtwagens betaalde de boetes die haar chauffeurs onder werktijd hadden opgelopen. Het betrof onder meer boetes wegens te zware belading, boetes wegens overtreding van de Rijtijdenwet en boetes wegens overtreding van de maximumsnelheid al of niet in het buitenland opgelopen.

De transportonderneming had de boetes niet verhaald op de chauffeurs, omdat het oplopen van verkeersboetes onlosmakelijk verbonden zou zijn met de aard van het bedrijf. De chauffeurs waren vaak gehaast wegens door files opgelopen vertragingen en werkten onder grote werkdruk vanwege de hevige onderlinge concurrentie.

De inspecteur stelde dat het afzien van verhaal van verkeersboetes inhield dat de transportonderneming persoonlijke schulden van de chauffeurs had voldaan en rekende daarom de vergoedingen tot het loon. Mede hiervoor legde hij naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen op aan de transportonderneming.

Het Hof was het niet met de inspecteur eens. De Wet op de loonbelasting rekent vergoedingen van verkeersboetes tot het loon voor zover de boetes aan de chauffeur wordt opgelegd. Echter daar was in het onderhavige geval geen sprake van. De transportonderneming ontving zelf als kentekenhouder van de vrachtauto's de boetes, en een kentekenhouder heeft een zelfstandige plicht om verkeersboetes te voldoen. Verder vond het Hof het aannemelijk dat de transportonderneming voldoende zakelijke redenen had om van verhaal af te zien.

Tenslotte stelde het Hof vast dat de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften de kentekenhouder geen eigen verhaalsrecht biedt op de bestuurder van het voertuig. Een werkgever zou dan moeten proberen de boete via de civielrechtelijke weg op de werknemer te verhalen. Aangezien dit punt door partijen niet aan de orde was gesteld, liet het Hof zich hier niet over uit.

Het Hof kwam tot het oordeel dat de transportonderneming geen persoonlijke schulden van de chauffeurs had voldaan, waardoor de chauffeurs geen voordeel uit dienstbetrekking (loon) hadden genoten.

De zaak kwam vervolgens voor de Hoge Raad en deze heeft de uitspraak van het Hof bevestigd. De Hoge Raad nam het Burgerlijk Wetboek als uitgangspunt. Een werkgever moet in beginsel de schade dragen die zijn werknemers in de uitvoering van hun werkzaamheden aan hem of aan derden hebben toegebracht. Hieronder vallen ook de aan de werkgever opgelegde verkeersboetes die de werknemers tijdens hun werk hebben opgelopen. Op deze regel bestaan wel enige uitzonderingen maar de inspecteur had zich niet op de uitzonderingen beroepen waardoor de Hoge Raad ervan uitging dat die uitzonderingen zich niet hadden voorgedaan.

De Hoge Raad stelde vast dat de transportonderneming geen bedragen kon verhalen op de chauffeurs. Daardoor hadden de chauffeurs geen voordeel uit dienstbetrekking genoten en was dus geen sprake van loon.

In een aantal gevallen is het dus mogelijk dat de werkgever eventueel ontvangen verkeersboetes voor zijn rekening neemt zonder dat hierover belasting moet worden betaald. Een en ander is wel afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

4. TIEN REDENEN WAAROM UW SALARISSTROOK ER ANDERS UIT ZIET

Inmiddels zijn de eerste loonstrookjes met het loon van het nieuwe jaar ontvangen. Deze loonstrookjes blijken nog veel vragen op te roepen. Hierna volgen 10 redenen waarom de salarisstrook er anders uit kan zien.

1.     De overhevelingstoeslag is weg en mijn loon daalt.

Klopt! De werkgever is verplicht het loon daarom met 1,9% te verhogen. Het kan zijn dat de werkgever dat is vergeten. Het brutoloon daalt dan maximaal met bruto f 145 per maand of zo'n f 85 netto per maand.

2. De overhevelingstoeslag is weg en mijn loon stijgt.

Ook kan het salaris per ongeluk 2 x verhoogd zijn: in de CAO en nogmaals door de werkgever. Het maximale voordeel: bruto f 145 per maand of f 85 netto per maand.

3. Ik ben kostwinner en mijn nettoloon daalt.

Ook 'correct', bij het inhouden van de loonbelasting wordt 'met uw partner' geen rekening meer gehouden. Iedereen heeft zelfstandig recht op zijn of haar eigen heffingskorting en meer niet. De partner kan bij de belastingdienst haar eigen heffingskorting terug vragen. In gedeelten per maand of ineens na afloop van het jaar. De kostwinner gaat er per maand afhankelijk van zijn inkomen tot enkele honderden guldens netto op achteruit. Dat kan minder zijn als gevolg van de lagere belastingtarieven. De partner krijgt echter (maximaal) f 3.473 'cadeau' van de belastingdienst.

4. Ik ben kostwinner, maar mijn nettoloon stijgt.

Dat kan. In feite gebeurt het zelfde als bij punt 3 hiervoor. Maar ook de belastingtarieven zijn verlaagd. Het verlagen van de belastingtarieven compenseert met name bij hogere inkomens de achteruitgang als gevolg van de introductie van de heffingskorting. Het voordeel bedraagt bij een loon van zo om en nabij een ton enkele honderden guldens maar kan oplopen tot vele duizenden guldens per maand.

5. Ik ben alleenstaande ouder en mijn nettoloon daalt.

Alleenstaande ouders betalen minder belasting. Vroeger (tot en met 2000) hield de werkgever daar rekening mee. Hij hield minder loonbelasting in waardoor het nettoloon hoger was. Met ingang van 2001 moet de alleenstaande ouder naar de belastingdienst stappen. Die verleent de alleenstaande ouder de belastingkorting. Alleenstaande ouders hebben recht op een teruggave van belasting die kan oplopen tot zo’n f 6.000 op jaarbasis.

6. Ik ben alleenstaande ouder en mijn nettoloon stijgt.

Zie ook 5 en 4. De belastingtarieven zijn gedaald. Let op! Toch moet de alleenstaande ouder naar de belastingdienst. Daar wacht mogelijk nog een extra teruggave van f 6.000.

7. Ik heb een OV-jaarkaart van mijn werkgever. In 2000 moest ik daar nog een tientje of twaalf gulden voor betalen aan mijn werkgever.

Ook dat heeft te maken met de nieuwe belastingregels. De belasting over de OV-jaarkaart wordt met ingang van 2001 betaald door de werkgever. Veel scheelt het niet, maar vooruit alle kleine beetjes helpen. De werknemer gaat er een paar gulden per maand op vooruit.

8. De werkgever betaalt mijn telefoonrekening. In 2000 was mijn eigen bijdrage f 41, nu is dat f 50.

Die verhoging is ook (mede) een gevolg van het nieuwe belastingstelsel. Telefoonkostenvergoedingen zijn alleen nog maar belastingvrij voor zover die meer bedragen dan f 50 gulden per maand. De werknemer levert het voordeeltje van punt 9 weer in. Hij gaat er enkele guldens op achteruit.

9. Op mijn loonstrookje staat plotseling een onbelaste koffievergoeding.

De werkgever is alert. Vanaf 1 januari 2001 mag de werkgever kleine consumpties (koffie, thee, fris e.d.) niet alleen belastingvrij verstrekken, maar hij mag (in de plaats daarvan) ook een belastingvrije vergoeding geven. Het voordeel bedraagt voor de werknemer maximaal zo’n f 6 per week.

10. Ik reis niet met het openbaar vervoer. Mijn reiskostenvergoeding is gedaald.

Weer het nieuwe belastingstelsel. Sommige belastingvrije reiskostenvergoedingen zijn gedaald. Nadeel voor de werknemer: maximaal zo’n f 15 per maand. Een schrale troost: werknemers die geen reiskostenvergoeding krijgen mogen (als ze niet met het openbaar vervoer reizen) met ingang van 2001 helemaal geen reiskosten meer aftrekken. Dat nadeel is veel groter.

5. VRIJSTELLING SCHENKINGSRECHT OUDERS AAN KINDEREN

Het bedrag dat ouders jaarlijks belastingvrij aan hun kinderen mogen schenken, is dit jaar gesteld op f 8.545.

Ouders kunnen eenmalig tot f 42.727 belastingvrij schenken aan kinderen tussen de 18 en 35 jaar. Op deze verhoogde vrijstelling moet een beroep worden gedaan in de aangifte voor het schenkingsrecht.

De termijn voor het indienen van de aangifte verstrijkt twee maanden na het jaar waarin de schenking plaatsvond. Dit betekent dat de aangifte voor schenkingen die vorig jaar hebben plaatsgevonden, vóór 1 maart 2001 moet zijn ingediend bij de belastingdienst. De aangifte voor schenkingen die dit jaar plaatsvinden moet vóór 1 maart 2002 bij de belastingdienst zijn ingediend.

6. TELEFOONREGELING IN 2001

De telefoonregeling ziet er vanaf 1 januari 2001 als volgt uit.

  • Als een werkgever aan een werknemer een eerste telefoon ter beschikking stelt of de telefoonrekening vergoedt, dan moet f 50 (2000: f 41) per maand bij het loon van de werknemer geteld worden voor privé-gebruik. Als het privé-gebruik van de werknemer inclusief de abonnementskosten meer is dan f 1.000 (2000: f 660) op jaarbasis of f 83,33 (2000: f 55) per maand, dan moeten de werkelijke kosten van het privé-gebruik ten laste van de werknemer blijven. Het verschil tussen het bedrag van de telefoonnota en de werkelijke privé-kosten kunnen werkgevers belastingvrij vergoeden.
  • De regeling voor de verstrekking of vergoeding van een tweede telefoon verandert niet: de belastingvrijstelling is van toepassing indien de gesprekskosten voor 90% of meer zakelijk zijn.
  • Voor het eerste abonnement van een ISDN aansluiting moet, als het zakelijk karakter van meer dan bijkomstig belang is, een bedrag van f 40 per maand bij het loon van de werknemer worden geteld.

7. WET WAARDERING ONROERENDE ZAKEN

Begin 2001 gaan gemeente de waardebeschikkingen versturen voor de belastingjaren 2001 tot en met 2004. De waarde die op deze beschikking staat vermeld, gaat voor niet-woningen gelden voor de onroerende zaakbelastingen en de waterschapsomslag voor gebouwde onroerende zaken.

Voor eigen woningen geldt de WOZ waarde bovendien voor het eigenwoningforfait (Box 1).

De op de waardebeschikking genoemde waarde, geldt in beginsel voor vier jaar. Als u twijfelt aan de door de gemeente vastgestelde waarde, is het van groot belang om tijdig bezwaar in te dienen. Geen of niet tijdig bezwaar indienen tegen de waardebeschikking betekent dat de waarde voor vier belastingjaren onherroepelijk vaststaat. Het is dus belangrijk dat u tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening van de waardebeschikking reageert.